Jûjî

daxwaz

/dɑːxˈwɑːz/

zelfstandig naamwoordvrouwelijkMeervoud: daxwaz
  1. wens / verlangen / behoefte

    de
    Verlangen / Bitte / Anforderung / Anfrage
    en
    wish, desire, want, necessity
    tr
    dilek, istek
    kmr
    Tişta mirov ji kesekê/î teleb dike; tişta mirov hêvî dike ku bi cih bibe.
  2. verzoek / smeekbede / eis

    de
    Bitte / Forderung / Flehen
    en
    demand, request, supplication, entreaty
    tr
    talep / rica / yakarış

Herkomst

Herwiha daxwazî, darxwaz, daxwazî, hevreha soranî داخوازی (daxwazî), farisî درخواست (derxwast, derxast), ji der- + -xwaz.

Verwante woorden

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.