Jûjî

hakimî

/hɑːkɘˈmiː/

zelfstandig naamwoord
  1. egemenlik / hâkimlik / yargıçlık

    de
    Hoheit
    en
    judgeship / judgment seat / sovereignty
    kmr
    dadgêrî, dadwerî, karê hakiman

Herkomst

Ji hakim + -î

Verwante woorden

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.