Jûjî

aparat

/ɑːpɑːˈɾɑːt/

zelfstandig naamwoord
  1. apparaat / inrichting / hulpmiddelen / toestel

    de
    Gerät / Apparat
    en
    gear / apparatus / device / machine
    kmr
    cihaz, makîne, amûr, alet, alav, hacet, halet, jenerator

Herkomst

Ji latînî apparatus

Verwante woorden

Afleidingen

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.