Jûjî

abid

/ɑːˈbɪd/

zelfstandig naamwoordmannelijk/vrouwelijkMeervoud: abid
  1. vrome / asceet

    de
    Frommer / Asket
    en
    a pious or devout person; ascetic
    tr
    abid
    kmr
    Teqwa, dîndar, oldar, îbadetker.

Herkomst

Ji erebî عَبِيد (ʕabīd, “ya/yê ku îbadet dike”) têkildarî îbadet.

Verwante woorden

Andere schrijfwijzen

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.